Blog-categorieën

25 februari 2013

Overland Track: eindelijk lopen!


Noot: Deze keer een lekker lange blog, omdat ik al in geen weken een update heb geplaatst (de reden daarvoor zal in de proloog duidelijk worden). Voor wie hier toevallig langs komt surfen op zoek naar informatie over The Overland Track: zie hier mijn Overland Track tracknotes.

Proloog

Ik zit gehurkt op de rode aarde tussen twee rijen paprikaplanten en voel voorzichtig aan de natte grond. Klam, maar niet nat. Mijn voet zakt niet weg, maar laat slechts een lichte afdruk achter. Dat ziet er goed uit, daar rijdt de trekker ook nog wel overheen. “Als je denkt dat je komt vast te zitten in de modder, bel mij dan, dan rijd ik de trekker achteruit terug”, zei de baas eerder. Maar die escape heb ik al eens gebruikt, en ik bel liever niet met het verzoek een trekker met aanhanger 100 meter recht achteruit te rijden. Ik gas de natte aarde op en lijk het te gaan halen. Totdat de 400 kilo zware tank kunstmest de modder in rijdt en alle grip verliest. Shit. Ik koppel trekker en tank van elkaar af, en de trekker rijdt zo de modder uit. De tank staat met de wielen een halve meter van droge grond af. Trekken met brute kracht, dat moet lukken. Als de achterkant de grond maar niet raakt, want daar zitten kwetsbare leidingen. Met veel moeite breng ik de tank in beweging. De vloeistof in de tank klotst heen en weer en de tank begint achterover te kantelen. Uit alle kracht probeer ik de tank terug te tillen, maar tevergeefs. Een luid gekraak. De tank is nog heel. Mijn rug niet meer.

“Ik schrijf je wat pillen voor, geef het een week”, zegt de dokter. “Ik geef het een weekend”, denk ik bij mezelf, want ik zou eigenlijk de volgende dag richting Canberra vertrekken om opnieuw een poging te doen het (geografisch gezien) laatste deel van de AAWT te lopen. Maar voordat het weekend om is, lijkt me een vertrek woensdag reëler. Op dinsdag merk ik dat er deze week überhaupt weinig gelopen gaat worden. Vlak voor het weekend rijd ik naar Sydney, zo krijg ik in ieder geval nog Australia Day mee. En hopelijk kan ik dan de week erna zonder blessures aan Tassie’s Overland Track beginnen.

Tassie’s Overland Track

Het Overland Track is ruim 60 kilometer lang en bestaat uit etappes van 10 tot 15 kilometer. In Nederland drie tot vier uur lopen, hier duurt het door hoogteverschillen en side trips de hele dag. Na zo’n etappe volgt een berghut, waar je in relatieve luxe kunt overnachten. De luxe bestaat uit een droge plek om je matje en slaapzak neer te leggen, een tafel om aan te eten en een composttoilet zodat je geen geulen hoeft te graven met een handschepje. En al is het lopen van de tocht interessant, het huttenleven is dat even zeer.

Panorama van Windermere Hut - met het toilethuis op rechts. De volle containers
worden per helicopter uitgevlogen voor "land fill doeleinden"...
Een dag lang berg-op berg-af lopen verbroedert. We komen de hele week dezelfde mensen tegen, en zo ontstaat een mini-maatschappij. Een maatschappij waarin ook geroddeld wordt. Op de eerste dag wordt onder luid gebulder het verhaal verteld van de twee Duitse meisjes, die door de park ranger aan het huilen zijn gemaakt. “Jullie zijn niet voorbereid! Jullie zouden hier niet moeten zijn!” zei hij. En dat alleen omdat de meisjes hadden gevraagd waar het toiletpapier gevonden kon worden (zelf meenemen) en omdat ze afgezien van wat wortels en appels geen eten hadden meegenomen, konden ze dat dan niet onderweg kopen? Alsof het paard van Sinterklaas leiding had over de inkopen. Een gaspit hadden ze wel: een stevig stalen model in plastic koffer, vergezeld van een steelpan met extra dikke bodem en glazen deksel. Maar wij bushwalkers onder elkaar regelen dat wel: nog voor vertrek kregen ze voldoende voedselreserves (en toiletpapier) van anderen om de tocht te voltooien. Met hun ridicuul zwaar gasstel en steelpan. De Duitse meiden hebben het voor elkaar: ze zijn legendarisch geworden. Maar later die week blijken wij ook twee legendes in onze groep te hebben.

Op de vierde dag komen we om drie uur ’s middags bij de hut aan. Mount Oakleigh ligt in de achtertuin en een rij fotografen legt de berg vast op de gevoelige plaat. Maar Tom en Alex willen foto’s maken vanaf de berg, van de zonsondergang. Om vier uur beginnen ze aan de tocht omhoog. Chris en ik volgen een half uurtje later, met de intentie een ommetje te lopen en ruim voor het donker weer terug te zijn bij de hut. Onderweg komen we wat wandelaars tegen die terug komen van de top: “Jullie gaan toch niet nu nog naar boven, zoals die twee kerels van net? Je haalt het niet meer terug voor het donker!” Nee, dat hadden wij ook al bedacht en wij delen hun zorgen. Eenmaal terug bij de hut blijken Tom en Alex het gespreksonderwerp van de dag te zijn. Plots roept een van de mannen die we onderweg tegenkwamen “Er staat iemand op de berg!” Vol trots laat hij op het schermpje van zijn spiegelreflex met zoomlens een schim op de top zien. Alex of Tom, of hopelijk alle twee, hebben de top gehaald. We hopen dat ze niet op de zonsondergang wachten, en in het licht al aan hun afdaling beginnen. Maar nee, pas om kwart voor elf ’s avonds, twee uur nadat iedereen zijn slaapzak is ingekropen, komen Alex en Tom de hut weer binnen. Met tegenvallende foto’s, want “de zon was toch wel erg ver.”

Mount Oakleigh in zonsondergang

Drie dagen en evenveel hutten later spreken we een aantal bushwalkers die we nog niet eerder zijn tegengekomen. We hebben het weer over de Duitse meisjes. Totdat iemand begint over “een aantal kerels die in het donker nog Mount Oakleigh opliepen, hoe dom!” Onder luid gelach geven Alex en Tom toe dat zij die kerels zijn – en alleen in het donker naar beneden liepen. En dat ze niet zonder EHBO-set, GPS en EPIRB zijn gaan lopen. Toch: deze omgeving laat niet met zich spotten. In de hut waar we in zitten herinnert een plaquette aan wat er kan gebeuren met wie slechte inschattingen maakt in deze omgeving. Op Kerstavond 2000 verdween een 20-jarige ervaren bushwalkster in de buurt van de hut, nadat ze (vermoedelijk) probeerde boven een sneeuwstorm uit te klimmen. Het is niet moeilijk te vallen en volledig op te gaan in de begroeiing: er is lang naar haar gezocht maar haar lichaam is nooit teruggevonden.

Niemand die we tegenkwamen zullen we na de tocht nog zien. Ook Hermann uit Munchen, Sean en Chris uit Brisbane of Julie en Felicity uit Mildura niet. Hoe dan ook: het Overland Track is een wandeling met een sociale component, zij het een tijdelijke. Maar de omgeving liegt er ook niet om: dit mag met recht de meest iconische bushwalk van Tasmanie genoemd worden. Regenwoud, watervallen en bergtoppen – waaronder Mount Ossa, de hoogste berg van Tassie – wisselen elkaar in razend tempo af en zorgen voor een spectaculair uitzicht. Toch ben ik blij als we op de achtste dag bij Narcissus Hut aankomen, want we voelen door het ontbreken van een rustdag allemaal de kilometers in de benen. Via de radio in de hut roepen we Ferry Base op om onze aankomst te bevestigen, en de volgende dag worden we bij Lake St. Claire opgehaald met de boot en terug naar de beschaving gevaren.

De zon zakt achter de bergen bij Narcissus Hut, de laatste overnachting.

Epiloog

Ozzies zijn relaxte mensen en dat komt doordat ze alle tijd van de wereld hebben. Ze korten namelijk alle woorden af. Zoals Macca’s (McDonalds) onlangs adverteerde: “if you can shorten it, just add –ie, otherwise add an –o. Right Johnno? (But my name is Henry!)” Men eet brekkie in de ochtend en luncht in de arvo. En zo bevind ik mij twee dagen na de tocht niet in Launceston, nee, ik ben naar “Lonnie” gekoerst. De rest van onze bushwalk-crew is intussen terug naar Canberra gevlogen.

Tussen Hobart en Lonnie valt weinig te doen. Er wordt veel vee gehouden (waaronder kuddes Friese koeien!), wat kaas gemaakt en vooral veel gekeken naar hoe het gras groeit. De snelweg (?) loopt dicht langs de Bay of Fires, waar gratis gekampeerd kan worden. Omdat ik toch een tent in mijn rugtas heb, besluit ik een kijkje te nemen en vind daarbij nog de beste gratis kampeerplek ooit ook (zie de foto rechts). Ook Wineglass Bay zou mooi moeten zijn, maar ik kan me de volgende dag door de bewolking er niet toe zetten om anderhalf uur naar een uitkijkpunt te lopen. De wolken zie ik vanaf de voet van de berg immers ook. Enigszins reismoe en in de hoop dit boeren-achterland achter me te laten rijd ik de laatste uren naar “ons Lonnie” om op te gaan in de grote stad. Maar die behoefte wordt niet vervuld: het centrum van Launceston beslaat slechts 4x4 blocks.

Na een dag kom ik in de eiland-sfeer. In de dagen die ik nog op Tasmanie ben ontstaat een ritueel: eerst een krant halen, dan doorlopen naar de Kameo Coffee Lounge voor ontbijt (gunstig geprijsd en perfect gepocheerde eieren!) en na het ontbijt nog een bak koffie halen om de krant uit te lezen. Een stuk meer smaak dan de gevriesdroogde maaltijden die we tijdens de tocht aten: doordat we iedere dag dezelfde rijst en extra groenten bij de maaltijden deden, smaakte iedere maaltijd exact hetzelfde. Hoe dan ook, na het ontbijt rest nog maar een paar uur om door het centrum te lopen voordat het diner wordt opgediend. Het centrum is geweldig voor architectuurliefhebbers: victoriaanse huizen worden hier doodleuk afgewisseld door betonnen jaren ’80 bunkers. Voor ieder wat wils. Ik bezoek Cataract Gorge, een “natuurreservaat” met kabelbaan omhoog (50 meter) - na het lopen van het Overland Track hoogstens kinderspel, maar toch iets dat je in Lonnie gedaan moet hebben. Net als een tour door de James Boags bierbrouwerij, afgesloten met een bierproeverij en “Tassie’s finest cheeses” (aanrader!). Maar stiekem ben ik toch wel blij dat ik na drie dagen “Lonnie” terug vlieg naar het vaste land.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten