Noot: Deze keer een lekker lange
blog, omdat ik al in geen weken een update heb geplaatst (de reden daarvoor zal
in de proloog duidelijk worden). Voor wie hier toevallig langs komt surfen op
zoek naar informatie over The Overland Track: zie hier mijn Overland Track tracknotes.
Proloog
Ik zit gehurkt op de rode aarde
tussen twee rijen paprikaplanten en voel voorzichtig aan de natte grond. Klam,
maar niet nat. Mijn voet zakt niet weg, maar laat slechts een lichte afdruk
achter. Dat ziet er goed uit, daar rijdt de trekker ook nog wel overheen. “Als
je denkt dat je komt vast te zitten in de modder, bel mij dan, dan rijd ik de
trekker achteruit terug”, zei de baas eerder. Maar die escape heb ik al eens
gebruikt, en ik bel liever niet met het verzoek een trekker met aanhanger 100
meter recht achteruit te rijden. Ik gas de natte aarde op en lijk het te gaan
halen. Totdat de 400 kilo zware tank kunstmest de modder in rijdt en alle grip
verliest. Shit. Ik koppel trekker en tank van elkaar af, en de trekker rijdt zo
de modder uit. De tank staat met de wielen een halve meter van droge grond af.
Trekken met brute kracht, dat moet lukken. Als de achterkant de grond maar niet
raakt, want daar zitten kwetsbare leidingen. Met veel moeite breng ik de tank
in beweging. De vloeistof in de tank klotst heen en weer en de tank begint
achterover te kantelen. Uit alle kracht probeer ik de tank terug te tillen,
maar tevergeefs. Een luid gekraak. De tank is nog heel. Mijn rug niet meer.
“Ik schrijf je wat pillen voor,
geef het een week”, zegt de dokter. “Ik geef het een weekend”, denk ik bij
mezelf, want ik zou eigenlijk de volgende dag richting Canberra vertrekken om
opnieuw een poging te doen het (geografisch gezien) laatste deel van de AAWT te
lopen. Maar voordat het weekend om is, lijkt me een vertrek woensdag reëler. Op
dinsdag merk ik dat er deze week überhaupt weinig gelopen gaat worden. Vlak
voor het weekend rijd ik naar Sydney, zo krijg ik in ieder geval nog Australia
Day mee. En hopelijk kan ik dan de week erna zonder blessures aan Tassie’s Overland Track beginnen.
Tassie’s Overland Track
Het Overland Track is ruim 60
kilometer lang en bestaat uit etappes van 10 tot 15 kilometer. In Nederland
drie tot vier uur lopen, hier duurt het door hoogteverschillen en side trips de hele dag. Na zo’n etappe
volgt een berghut, waar je in relatieve luxe kunt overnachten. De luxe bestaat
uit een droge plek om je matje en slaapzak neer te leggen, een tafel om aan te
eten en een composttoilet zodat je geen geulen hoeft te graven met een handschepje.
En al is het lopen van de tocht interessant, het huttenleven is dat even zeer.
Een dag lang berg-op berg-af
lopen verbroedert. We komen de hele week dezelfde mensen tegen, en zo ontstaat
een mini-maatschappij. Een maatschappij waarin ook geroddeld wordt. Op de
eerste dag wordt onder luid gebulder het verhaal verteld van de twee Duitse
meisjes, die door de park ranger aan het huilen zijn gemaakt. “Jullie zijn niet
voorbereid! Jullie zouden hier niet moeten zijn!” zei hij. En dat alleen omdat
de meisjes hadden gevraagd waar het toiletpapier gevonden kon worden (zelf
meenemen) en omdat ze afgezien van wat wortels en appels geen eten hadden
meegenomen, konden ze dat dan niet onderweg kopen? Alsof het paard van
Sinterklaas leiding had over de inkopen. Een gaspit hadden ze wel: een stevig stalen
model in plastic koffer, vergezeld van een steelpan met extra dikke bodem en glazen
deksel. Maar wij bushwalkers onder elkaar regelen dat wel: nog voor vertrek kregen
ze voldoende voedselreserves (en toiletpapier) van anderen om de tocht te
voltooien. Met hun ridicuul zwaar gasstel en steelpan. De Duitse meiden hebben
het voor elkaar: ze zijn legendarisch geworden. Maar later die week blijken wij
ook twee legendes in onze groep te hebben.
![]() |
| Panorama van Windermere Hut - met het toilethuis op rechts. De volle containers worden per helicopter uitgevlogen voor "land fill doeleinden"... |
Op de vierde dag komen we om drie uur
’s middags bij de hut aan. Mount Oakleigh ligt in de achtertuin en een rij
fotografen legt de berg vast op de gevoelige plaat. Maar Tom en Alex willen
foto’s maken vanaf de berg, van de
zonsondergang. Om vier uur beginnen ze aan de tocht omhoog. Chris en ik volgen
een half uurtje later, met de intentie een ommetje te lopen en ruim voor het
donker weer terug te zijn bij de hut. Onderweg komen we wat wandelaars tegen
die terug komen van de top: “Jullie gaan toch niet nu nog naar boven, zoals die
twee kerels van net? Je haalt het niet meer terug voor het donker!” Nee, dat
hadden wij ook al bedacht en wij delen hun zorgen. Eenmaal terug bij de hut
blijken Tom en Alex het gespreksonderwerp van de dag te zijn. Plots roept een
van de mannen die we onderweg tegenkwamen “Er staat iemand op de berg!” Vol
trots laat hij op het schermpje van zijn spiegelreflex met zoomlens een schim
op de top zien. Alex of Tom, of hopelijk alle twee, hebben de top gehaald. We
hopen dat ze niet op de zonsondergang wachten, en in het licht al aan hun
afdaling beginnen. Maar nee, pas om kwart voor elf ’s avonds, twee uur nadat
iedereen zijn slaapzak is ingekropen, komen Alex en Tom de hut weer binnen. Met
tegenvallende foto’s, want “de zon was toch wel erg ver.”
Drie dagen en evenveel hutten
later spreken we een aantal bushwalkers die we nog niet eerder zijn
tegengekomen. We hebben het weer over de Duitse meisjes. Totdat iemand begint
over “een aantal kerels die in het donker nog Mount Oakleigh opliepen, hoe
dom!” Onder luid gelach geven Alex en Tom toe dat zij die kerels zijn – en
alleen in het donker naar beneden liepen. En dat ze niet zonder EHBO-set, GPS en
EPIRB zijn gaan lopen. Toch: deze omgeving laat niet met zich spotten. In de
hut waar we in zitten herinnert een plaquette aan wat er kan gebeuren met wie
slechte inschattingen maakt in deze omgeving. Op Kerstavond 2000 verdween een 20-jarige
ervaren bushwalkster in de buurt van de hut, nadat ze (vermoedelijk) probeerde
boven een sneeuwstorm uit te klimmen. Het is niet moeilijk te vallen en
volledig op te gaan in de begroeiing: er is lang naar haar gezocht maar haar
lichaam is nooit teruggevonden.
Niemand die we tegenkwamen zullen
we na de tocht nog zien. Ook Hermann uit Munchen, Sean en Chris uit Brisbane of
Julie en Felicity uit Mildura niet. Hoe dan ook: het Overland Track is een
wandeling met een sociale component, zij het een tijdelijke. Maar de omgeving
liegt er ook niet om: dit mag met recht de meest iconische bushwalk van
Tasmanie genoemd worden. Regenwoud, watervallen en bergtoppen – waaronder Mount
Ossa, de hoogste berg van Tassie – wisselen elkaar in razend tempo af en zorgen
voor een spectaculair uitzicht. Toch ben ik blij als we op de achtste dag bij
Narcissus Hut aankomen, want we voelen door het ontbreken van een rustdag
allemaal de kilometers in de benen. Via de radio in de hut roepen we Ferry Base
op om onze aankomst te bevestigen, en de volgende dag worden we bij Lake St.
Claire opgehaald met de boot en terug naar de beschaving gevaren.
Ozzies zijn relaxte mensen en dat
komt doordat ze alle tijd van de wereld hebben. Ze korten namelijk alle woorden
af. Zoals Macca’s
(McDonalds) onlangs adverteerde: “if you can shorten it, just add –ie,
otherwise add an –o. Right Johnno? (But my name is Henry!)” Men eet brekkie in de ochtend en luncht in de arvo. En zo bevind ik mij twee dagen na
de tocht niet in Launceston, nee, ik ben naar “Lonnie” gekoerst. De rest van
onze bushwalk-crew is intussen terug naar Canberra gevlogen.
Tussen Hobart en Lonnie valt
weinig te doen. Er wordt veel vee gehouden (waaronder kuddes Friese koeien!),
wat kaas gemaakt en vooral veel gekeken naar hoe het gras groeit. De snelweg (?)
loopt dicht langs de Bay of Fires, waar gratis gekampeerd kan worden. Omdat ik
toch een tent in mijn rugtas heb, besluit ik een kijkje te nemen en vind
daarbij nog de beste gratis kampeerplek ooit ook (zie de foto rechts). Ook Wineglass
Bay zou mooi moeten zijn, maar ik kan me de volgende dag door de bewolking er
niet toe zetten om anderhalf uur naar een uitkijkpunt te lopen. De wolken zie
ik vanaf de voet van de berg immers ook. Enigszins reismoe en in de hoop dit
boeren-achterland achter me te laten rijd ik de laatste uren naar “ons Lonnie”
om op te gaan in de grote stad. Maar die behoefte wordt niet vervuld: het
centrum van Launceston beslaat slechts 4x4 blocks.
Na een dag kom ik in de
eiland-sfeer. In de dagen die ik nog op Tasmanie ben ontstaat een ritueel:
eerst een krant halen, dan doorlopen naar de Kameo Coffee Lounge voor ontbijt
(gunstig geprijsd en perfect gepocheerde eieren!) en na het ontbijt nog een bak
koffie halen om de krant uit te lezen. Een stuk meer smaak dan de
gevriesdroogde maaltijden die we tijdens de tocht aten: doordat we iedere dag
dezelfde rijst en extra groenten bij de maaltijden deden, smaakte iedere
maaltijd exact hetzelfde. Hoe dan ook, na het ontbijt rest nog maar een paar
uur om door het centrum te lopen voordat het diner wordt opgediend. Het centrum
is geweldig voor architectuurliefhebbers: victoriaanse huizen worden hier
doodleuk afgewisseld door betonnen jaren ’80 bunkers. Voor ieder wat wils. Ik
bezoek Cataract Gorge, een “natuurreservaat” met kabelbaan omhoog (50 meter) - na
het lopen van het Overland Track hoogstens kinderspel, maar toch iets dat je in
Lonnie gedaan moet hebben. Net als een tour door de James Boags bierbrouwerij,
afgesloten met een bierproeverij en “Tassie’s finest cheeses” (aanrader!). Maar
stiekem ben ik toch wel blij dat ik na drie dagen “Lonnie” terug vlieg naar het
vaste land.



